Persoonlijk ondernemerschap en de inzet van digitale leermaterialen.

Het gebeurt niet vaak dat in het Tijdschriftt voor Onderwijskunde en Opvoedkunde Pedagogische studiën aandacht wordt besteed aan ICT binnen onderwijs. Maar in nummer drie van dit jaar stond een artikel (Vermeulen, van Acker, Kreijns, & van Buuren, 2012) dat mij triggerde en aanzette tot nadenken. De auteurs hadden een onderzoek gedaan onder 1239 leraren uit PO, VO en MBO. In hun studie stond de volgende vraag centraal: Wat zijn de belangrijkste determinanten van de intentie tot het gebruik van Digitale leermaterialen door leraren in hun onderwijspraktijk? In hun onderzoek gingen zij ervan uit dat de intentie bepaald wordt door drie kernvariabelen; Houding (gevoel van sympathie of juist antipathie t.o.v. digitale leermaterialen, Subjectieve norm (de waargenomen groepsdruk) en de Overtuiging om bepaald gedrag te kunnen uitvoeren en een voldoende prestatie te leveren. Zij hebben een aantal hypothesen getest maar ik wil er in deze blog maar één naar voren brengen. Zij hadden de hypothese dat “ICT vaardigheden en persoonlijk ondernemerschap positief gerelateerd zijn aan intentie tot het gebruik van digitale leermaterialen en dat deze wordt gemedieerd door de overtuiging bepaald gedrag te kunnen uitvoeren”. Drent (2005) beschreef het persoonlijk ondernemerschap als “de innerlijke gedrevenheid om zich verder te ontwikkelen. Deze gedrevenheid uit zich in het actief nemen van initiatieven om doelstellingen te realiseren.” Persoonlijk ondernemerschap heeft volgens haar te maken met professionele betrokkenheid. Op het gebied van gebruik van digitale leermaterialen uit die professionele betrokkenheid zich door een hoge mate van interne school activiteiten (interactie met collega’s), een hoge mate van externe school activiteiten (bezoeken van symposia enz.) en het uitvoeren van leiderschapsactiviteiten zoals het begeleiden van docenten. Andere onderzoekers noemen het personal engagement (Collis & Moonen, 2001). Onder personal engagement wordt verstaan het hebben van persoonlijke motivatie om onderwijskundige innovaties uit te proberen en het hebben van interesse voor technologische ontwikkelingen, evenals het discussiëren met anderen over deze onderwerpen. Hierbij moet wel gezegd dat dit alles sterk beïnvloed wordt door de onderwijsopvatting van de leraar. Leraren met een student georiënteerde didactische werkwijze hebben volgens de onderzoekers een hogere mate van personal engagement dan de docenten die dit niet hebben. Voor de schaal persoonlijk ondernemerschap gebruikten de onderzoekers uit het eerste deel van mijn blog de aanvulling van Drent (2005) op een studie van Mumtaz (2000). Persoonlijk ondernemerschap bestaat daarin uit twee dimensies van kennisvergaring. De eerste dimensie is het gebruik van het eigen netwerk van een leraar om ICT kennis en vaardigheden te krijgen en de tweede dimensie is het initiatief dat de docent neemt om zelfstandig op zoek te gaan naar nieuwe kennis en vaardigheden. Het onderzoek geeft aan dat Persoonlijk ondernemerschap de belangrijkste (indirecte voorspeller is voor het gebruik van digitale leermiddelen en dat dit sterk gerelateerd is aan de overtuiging om een bepaald gedrag met goed succes te kunnen uitvoeren. Een leraar die pro-actief op zoek gaat bij collega’s binnen en buiten de school of op zoek gaat naar informatie geleverd door deskundigen staat positiever tegenover het gebruik van digitale leermaterialen, dan de leraar die dit alles niet doet.
Dit alles overdenkend zou het weleens een heel moeizaam veranderingsproces voor het onderwijs kunnen zijn. De vraag welke kennis of vaardigheden de docent moet hebben om digitale leermaterialen te gebruiken in zijn onderwijspraktijk, wordt daardoor bijna onmogelijk om te beantwoorden. Het is namelijk sterk afhankelijk van de docent en zijn onderwijsopvatting.
Maar even pro-actief op zoek gaan naar meer informatie hierover.
Geciteerde werken
Collis, B., & Moonen, J. (2001). Flexible learning in a digital world: experiences and expectations. London: Kogan Page.
Drent, M. (2005). In transitie: Op weg naar innovatief ICT-gebruik op de PABO. Unpublished doctoral dissertation. Enschede: Twente University.
Vermeulen, M., van Acker, F., Kreijns, K., & van Buuren, H. (2012). Leraren en hun intentie tot het gebruik van digitale leermaterialen in hun onderwijspraktijk. Pedagogische Studiën, 159-173.

Advertisements

Wat is de vraag?

Zo juist heb ik mijn eerste cursus, die volgens het flipped classroom-model gegeven zal worden, geschreven. Edmodo wordt de communicatietool met alle informatie die de studenten nodig hebben. MentorMob met een playlist van diverse websites en documenten.

Maar toen las ik over “Connective learning”. Het artikel in Edudemic begon met een video (prachtig dat zie je toch niet in papieren versies van tijdschriften). In de video sprak een professor uit VS over het ontwerpen van onderwijs voor de 21st eeuw. Zij is van mening dat het onderwijs totaal moet veranderen. En dat we moeten beginnen met het eind. Niet langer moeten wij werken naar de resultaten, maar we moeten ons afvragen welke leerervaring wij onze studenten willen bieden. En ik ben het met haar eens. Wij kunnen niet differentiëren als wij de studenten allemaal dezelfde richting op sturen. Met de toets in gedachten het onderwijs ontwerpen….het kan niet meer.

Project based learning, samenwerken, communiceren, ervaren (ieder op zijn of haar eigen niveau en tempo) en ervoor zorgen dat de student zich betrokken voelt bij zijn eigen onderwijs. Leren doen ze immers niet voor ons docenten of voor hun ouders. Leren doen zij voor hun eigen toekomst. Na mijn overdenking over wat de docenten nu eigenlijk zouden moeten kunnen bieden aan de studenten nu de vraag wat kunnen de studenten zichzelf bieden en hoe kan het onderwijs hen daarbij helpen.

Langzaam ontstaan er nieuwe mogelijkheden om alle “dots” aan elkaar te koppelen. Maar het vraagt om een complete verandering van het denken over en ontwikkelen van het onderwijs. Een uitdaging en een hele leuke

Overdenking

Wat een beter tijdstip voor een overdenking dan een Zondagochtend. Mijn geloof ligt in het onderwijs van mensen dus beter kan niet. Mijn overdenking begon vanochtend toen ik The World is Flat van Thomas Friedman las. In zijn boek beschrijft hij een wereld die verandert door de mogelijkheden van het Web. Outsoutching, homesourching, alles is mogelijk geworden door het world wide web. Toen dwaalden mijn gedachten richting het onderwijs en tot mijn schrik bedacht ik mij dat het web ook een enorme bron van kennis is. Kennis die vrijelijk gedeeld wordt en die door anderen aangevuld of gecorrigeerd wordt.

Ik woon in een dunbevolkte regio. Er is nieuwe kennis, maar vaak blijft deze kennis beperkt tot het bedrijf of de directe omgeving van de “uitvinder”.  En dat is jammer. Het is dubbel jammer omdat de mogelijkheid tot verspreiding ( en verkrijgen)zo voor de hand liggend en voor iedereen toegankelijk is: het web.

Het is slechts een handje vol mensen die van die mogelijkheid gebruik maken. Het zijn geen pioniers meer, want die Web wereld is allang ontdekt. We ( ik hoor daar gelukkig ook bij) zijn tijdig op die trein gesprongen en we rijden mee. Maar wat nu met degene die de trein gemist hebben of moedwillig voorbij  hebben laten gaan? Wat nu als dat net de mensen zijn die de jonge mensen moeten onderwijzen? Is hun kennis dan achterhaald?

Ik weet het niet. Veel van mijn collega’s zijn zeer kundige mensen zonder twitter of wat dan ook. Maar ik weet wel dat het risico er is en ik vraag mij dan ook af of een school in een regio zoals Zeeland zich juist in digital literacy zou moeten specialiseren, zodat er van alle kennisbronnen gebruik kan worden gemaakt.

Het maakt niet meer uit of je, zoals ik nu, op een boerderij in het buitengebied zit of in een appartement in Rotterdam (of welke andere stad dan ook). Alle kennis ligt vlak naast je. Je hoeft het alleen maar te pakken. En bedenk dan of we de juiste prioriteit in het onderwijs hebben.